Prille Liefde | Exclusief Interview Ceylin Del Carmen Alvarado

Gastblogger | 20 september 2021

Veldrijdster Ceylin del Carmen Alvarado over de magie van mountainbiken.

De liefde tussen Ceylin del Carmen Alvarado (23) en de mountainbike is nog pril. Drie jaar geleden stapte ze er pas voor het eerst op. “De vraag kwam vanuit mijn wielerteam, of ik het leuk zou vinden op de mountainbike te rijden. En eventueel wedstrijden te doen. Zo ben ik er eigenlijk mee begonnen. Voor de fun. Zo zit ik ook wel een beetje in elkaar: als iemand mij een nieuwe uitdaging voorstelt denk ik vrijwel altijd meteen: ’Leuk, ga ik proberen!’. Ik was er eigenlijk meteen verliefd op, ook al voelde alles heel anders dan ik gewend was. Ik moest echt wel wennen aan de fiets zelf, en aan de houding en de andere techniek die erbij kwam kijken. Het is heel anders dan veldrijden. Maar ik viel meteen voor de uitdaging die de sport me bood en het offroad-gevoel. Het geeft een kick.”

Ceylin del Carmen Alvarado

Geboren: 6 augustus 1998
Geboorteplaats: Cabrera, Dominicaanse Republiek
Prestaties: Goud op EK en WK Veldrijden

We kennen Alvarado als veldrijdster, maar het had niet veel gescheeld of we hadden een verhaal over haar kunnen schrijven als hardloopster. Voordat ze op de fiets stapte, deed ze aan atletiek. “Ik was er best goed in en vond het ook echt leuk. Tot er in de winter een keer een veldloopwedstrijd kwam die mijn plezier vergalde. Het had gesneeuwd en het was zo koud en nat dat halverwege de veldloop mijn handen en voeten helemaal bevroren waren. Gejankt heb ik toen, echt niet normaal. Ik heb tegen mijn ouders gezegd dat ik het nooit meer wilde doen. Dus dat was het nogal abrupte einde van mijn atletiekcarrière.” Het was vervolgens haar vader die wielrennen als nieuwe hobby voor zijn dochter opperde. Tien jaar was ze toen. “Het fietsen was meteen een succes, hoewel dat in eerste instantie niet echt met de sport te maken had hoor. Ik vond het vooral leuk dat er zoveel meisjes waren bij de wielerclub. In het begin was ik verschrikkelijk slecht in de wedstrijdjes. Ik lette helemaal niet op. Maar het jaar erna ging het al wat beter, ik begon steeds handiger te worden.”

De échte liefde voor de sport ontstond op haar twaalfde, toen ze ging veldrijden. De familie Alvarado uit de Rotterdamse wijk Beverwaard stapte in de wintermaanden ieder weekend in een bestelbusje om naar de cross te gaan. Dan ontfermde vader Rafael zich over het materiaal, moeder Ramona zorgde voor het eten en de kleding. Wat er zo leuk is aan veldrijden? “Alles eigenlijk! Aan de ene kant het baggeren door de modder en de viezigheid, je kunt me niet blijer maken. Daarnaast is het een heel eerlijke strijd. Het is echt vól man tegen man, of in mijn geval vrouw tegen vrouw. Het is dus niet zoals op de weg, waar je een hele dag afwachtend in het peloton kan hangen en je kansen moet plannen. Bij het veldrijden wint de sterkste. En daarnaast spreekt de sfeer in het veldrijden me erg aan, het is een familieding. De parkeerplaats staat altijd vol met campers waar de renners met hun families zitten. Iedereen kent elkaar, het publiek loopt daar tussendoor voor foto’s of handtekeningen. Voor het publiek is het een soort feest. Er zijn partytenten, bars en frietkramen. En ook voor mij op de fiets is het een feest. Vanaf de start hoor ik alleen geschreeuw langs de kant. Doordat ik die emotie zo goed hoor, gebeurt er echt iets. Die energie die ik dan voel, is onbeschrijfelijk.”

Ze werd in 2019 Nederlands en Europees kampioen veldrijden bij de beloften. Maar de grootste klapper volgde begin 2020. Met nog maar 21 lentes op de teller werd ze Nederlands kampioen én wereldkampioen. Bij de elite vrouwen welteverstaan, terwijl ze qua leeftijd nog gewoon bij de beloften, voor rensters onder de 23 jaar, had mogen uitkomen. “Ik vond dat ik niks te verliezen had. Het was het eerste WK waarvoor ik totaal niet zenuwachtig was. Ik ben trouwens nooit echt superzenuwachtig, hoor. Mijn ouders wel. Vooral mijn moeder. Dan gaat ze heel veel praten of komt ze om de zoveel minuten iets brengen of vragen of alles goed gaat. En dan zeg ik: ‘Doe nou eens rustig mam, het komt allemaal wel goed!’.”

Terug naar de mountainbike. Voelt ze zich daarop net zo zeker als op de crossfiets? “Nee, dat nog niet. Ook omdat mountainbiken veel extremer is. Ik durf veel maar niet alles. Soms voel ik nog wel een beetje angst. Nou ja, angst is niet het goede woord. Ik twijfel even. Moet ik hier echt vanaf gaan? En soms beslis je dan: nee, hier ga ik me niet aan wagen. Ook omdat ik het gewoon nog niet zo lang doe en ik nog niet volledig zeker ben van mijn techniek. Of ik het wiel zelf ben gaan uitvinden? Nee hoor, haha! Dan was het niet goed gekomen, denk ik. Ik heb gewoon mountainbiketraining gehad. De eerste twee jaar heb ik met bondscoach Gerben de Knegt getraind, die heeft me zo goed als alles bijgebracht. En verder doe je natuurlijk vanzelf ervaring op als je meerdere wedstrijden op verschillende parcoursen doet.”

“Het offroad-gevoel geeft een kick”

“Ik vind dat je op een mountainbike minder feeling met de fiets en met de ondergrond hebt dan op een crossfiets. Dat komt door de stuggere banden. Verder is het stuur natuurlijk heel anders en moet je vooral leren spelen met de vering die je hebt. Juist dát maakt het mountainbiken echt anders. De obstakels die je krijgt zijn soms zo extreem: grote gaten, rotsblokken, stijl naar beneden. Daar komen veel skills bij kijken. In de cross is dat lang niet zo extreem. Dus het is absoluut een sport waarin je je moet ontwikkelen. Of ik al eens erg gevallen ben? Nu je het vraagt: afgelopen mei ben ik voor het eerst echt pittig onderuit gegaan. Er was een ‘drop’ waar ik verkeerd landde, toen heb ik mijn schouderpezen gekneusd en gescheurd. Ik heb een paar dagen helemaal niks met mijn arm kunnen doen. Ik kon hem niet optillen, laat staan dat ik een stuur kon vasthouden. Dus dat was even goed schrikken en heel erg pijnlijk. Daar heb ik lang mee gesukkeld en het is nog steeds niet helemaal in orde, maar wel bijna. Het komt goed. Het moet vanzelf genezen. Mijn liefde voor de mountainbike gaat niet over door zoiets. Ik moet hooguit een beetje voorzichtiger doen.”

Het was natuurlijk de bedoeling dat er afgelopen jaar veel (mountainbike)wedstrijden gereden zouden worden, maar daar stak corona een stokje voor. Dat gold voor het wedstrijdschema van Ceylin maar ook voor het schema van haar vriend en Alpecin-Fenix teamgenoot Roy Jans, met wie ze sinds vorig jaar in België samenwoont. “Het is heel maf als alles stilvalt, je zit ineens zonder werk, zo lijkt het. Het is moeilijk de motivatie te vinden zonder wedstrijden. Heel gek om in de weekenden ineens niks te hebben. Ook vond ik het lastig om vervolgens weer op te bouwen en gestructureerd naar iets toe te werken. Het duurde even om terug in mijn ritme te komen. Maar ik moet ook zeggen dat die periode ook waardevol is geweest. Ik heb veel meer tijd gehad voor vrienden en familie. Normaal heb ik dat eigenlijk maar weinig. En natuurlijk is het ook fijn dat Roy in hetzelfde schuitje zat. Normaal gesproken lopen onze agenda’s dwars door elkaar heen en is quality time samen heel lastig. Nu hebben we dat wel gehad, en dat is toch wel positief geweest.”

“Op een mountainbike heb je minder feeling met de ondergrond dan op een crossfiets”

“Hoe het is om een relatie met een teamgenoot te hebben? Het is eigenlijk heel prettig. Het gaat thuis echt niet de hele tijd over fietsen en de ploeg, hoor. Als het lukt, trainen we samen. Meestal gaat dat goed en is dat gezellig, maar niet altijd natuurlijk. Roy fietst harder en kan meer aan dan ik. Dus als ik op ben na een blokkentraining en hij wil nog even flink doorrijden, dan kan ik heel nors op die fiets gaan zitten, haha! We zijn daarin waarschijnlijk als elk ander koppel. Maar verder is het heel fijn dat hij weet wat ik doormaak, wat ik moet doen en laten voor m’n sport. Hij begrijpt dat ik veel moet rusten, want hij moet het ook. Ik hoef Roy niks uit te leggen, dat is heel prettig. Door corona heb ik uiteindelijk lange tijd veel minder wedstrijden kunnen rijden dan gehoopt. Daarom was ik echt wel heel trots op mijn derde plek op het WK mountainbiken. Dat deed me heel veel. Het was pas het eerste jaar dat ik er serieus mee bezig was, en ik had door dat rare jaar maar vijf wedstrijden ter voorbereiding kunnen rijden. Dan voelt zo’n derde plek als een bevestiging, een beloning voor het harde werken. Tegelijkertijd zie je dat er een toekomst in het mountainbiken mogelijk is.”

De Olympische Spelen in Tokio kwamen iets te vroeg voor haar, want door corona was het in de aanloop onmogelijk om in wedstrijden aan te tonen beter te zijn dan de andere Nederlandse mountainbikevrouwen. “De Spelen in Parijs zijn al over drie jaar. En ik had sowieso niet voor spek en bonen naar Tokio gewild. Als ik ergens heen ga, dan ga ik voor de medailles. Lukt dat niet, dan wacht ik liever nog een paar jaar. Als alles goed verloopt, worden de Spelen van Parijs het doel voor de komende jaren, naast de doelen die ik stel in het veldrijden natuurlijk. Ambities op de weg heb ik ook, maar die hebben iets minder prioriteit. Het gaat gewoon niet allemaal tegelijk. Het mountainbikeseizoen loopt ongeveer gelijktijdig met het wegseizoen. Voor mij is dat niet handig, want dan kan ik niet focussen. Ik wil liever ergens echt voor kiezen, daarin bereiken wat ik wil bereiken en dan pas mijn volgende doel kiezen.”

Tekst: Diana Kuip
Fotografie: Alpecin-Fenix

FuturumMag.18

Dit artikel is afkomstig uit FuturumMag.18, het magazine van FuturumShop. Wil je meer interviews, reviews, tips of achtergrondverhalen lezen? Klik hier voor alle artikelen uit het FuturumMag.

Lees verder